Wat zou jij er van zeggen als ik een keer een valse noot zou zingen? Zou je dat accepteren van me, of zou je opstaan en weglopen? Luister maar goed, want ik ga een liedje voor je zingen en ik zal m’n best doen om m’n stem zuiver te houden. Ach, met een beetje hulp moet dat wel lukken.
Soms vraag ik me af wat ik toch zonder mijn grote liefde zou moeten beginnen?! Ik maak me bijvoorbeeld wel eens zorgen over de dag dat jij er niet meer bent en ik alleen achterblijf. Ik heb geen idee hoe ik me dan zou voelen. Misschien word ik dan wel treurig en zielig van eenzaamheid. Maar ik weet gelukkig zeker dat er ook dan altijd weer vrienden zullen zijn om me er doorheen te slepen.
Ik weet niet precies wat je met me gedaan hebt, maar ik kan duidelijk voelen dat je iets in me losmaakt. In eerste instantie probeerde ik nog te doen alsof er niets aan de hand was, maar dit gevoel is zo duidelijk aanwezig, het lijkt net of ik betoverd ben. Het is alsof er geen uitweg meer is, zelfs geen weg terug. Alleen God zelf kan het misschien nog tegenhouden.
Veel te lang heb ik alleen maar afgewacht en eerlijk gezegd werd ik daar niet gelukkiger van. Ik keek wel om me heen, maar juist door al dat rondkijken zag ik van alles over het hoofd. Nu ben ik eindelijk in een win-win situatie beland. Als het wat wordt tussen ons, zou dat geweldig zijn. En wordt het niets, dan heb ik in ieder geval weer een heleboel geleerd.
Stel je eens voor dat God een gewone kerel zou zijn, met een gewone alledaagse naam. Hoe zou hij dan heten, denk je? En zou je hem dan ook met die naam aanspreken en “je” en “jij” zeggen? En wat nou als je hem één vraag zou mogen stellen, welke zou dat dan zijn? Dat zijn dingen die ik me zo vaak afvraag, maar ik kan me er weinig bij voorstellen.
Soms probeer ik me in te denken hoe hij er dan uit zou zien en wat ik zou doen als ik de kans kreeg om hem eens recht in zijn ogen te kijken. Hoewel ik soms ook wel eens twijfel of ik dat wel écht wil. Je weet wat veel mensen zeggen: “zien is geloven!” Maar dan zou ik ook meteen moeten gaan geloven in al dat gedoe met de hemel, de heiligen en de profeten.
Het begon allemaal toen ik nietsvermoedend op straat liep in dat verre vakantieland. Op het moment dat ik de straat wilde oversteken, hoorde ik plotseling een zware stem in m’n oor. Ik schrok en keek om. Daar zag ik ze om me heen staan: vier dreigende gezichten die vast en zeker iets slechts van plan waren. Maar ze zeiden niets! Ze keken me alleen maar aan.
Totdat één van hen nogal veel interesse toonde in mijn zilveren ketting. “Hé man”, zei hij, “Die koop ik van je voor één dollar!” Ik dacht dat-ie een grapje maakte. “Het is een erfstuk van m’n moeder”, antwoordde ik. Maar hij wilde ‘m toch hebben, zei hij. Sterker nog, hij greep m’n ketting vast, terwijl hij er vals bij grijnsde: “Je zult er nog spijt van krijgen dat je me hier bent tegengekomen…”, riep hij en toen ging-ie er met z’n vrienden snel vandoor.
Iedereen wil niets liever dan de waarheid weten. Zo zijn mensen nou eenmaal, ze zijn altijd en overal nieuwsgierig.
Nou, jij kunt die waarheid vinden, hoor, in mijn armen. Jarenlang hield ik mijn gevoelens voor alles en iedereen verborgen, maar nu heb ik mijn hart speciaal voor jou open gesteld. En je moet me geloven als ik je vertel dat jij de enige bent voor wie daar een speciaal plekje is gereserveerd. Voor een andere vrouw is geen plaats in dat hart van mij!

Ik heb in mijn leven al meer klappen opgelopen dan goed voor me was. Ik ben vaak gestruikeld en weer overeind gekrabbeld, om vervolgens opnieuw naar de grond gewerkt te worden. Maar nu ik jou heb gevonden lijkt dat eeuwige geploeter eindelijk voorgoed verleden tijd. Zolang je maar voorzichtig met me bent.
Ach, je weet toch hoe dat gaat?! Ik heb nou eenmaal een bepaalde reputatie bij de meeste mensen en die verander je niet zomaar. Maar zolang ik het zelf allemaal onder controle had, was er niets aan de hand. Dankzij jou is dat nu gelukkig wat makkelijker geworden, maar pas je wel op? Ik ben namelijk nogal breekbaar.
Voor het eerst ben ik weer terug op de plek waar ik jou voor de eerste keer ontmoette: een straathoek, middenin het centrum van de stad waar we samen hebben gewoond.
Ik heb een matras onder m’n arm en een slaapzak in m’n rugtas. Verder heb ik niet meer bij me dan een foto van jou en een kartonnen bord. “Als je deze vrouw ziet, vertel haar dan waar ik ben”, heb ik er met een viltstift op geschreven.
Soms zie ik het weer helemaal voor me: de tijd waarin ik nog jong was, lang geleden. Toen we nog kinderen waren en nergens gevaar zagen. Onze wereld leek perfect: de zon scheen altijd en we konden urenlang spelen, tot het eindelijk donker werd.
We maakten ons nergens druk om in die tijd. Dat is later wel veranderd. Nu denk ik wel eens dat ik alleen toen écht geleefd heb. Dat het geluk in de rest van m’n leven maar schijn is geweest.
We leven in een vreemde tijd. Iedereen om me heen wil zijn mening verkondigen, maar als je goed luistert hoor je dat bijna niemand echt iets zegt. We denken dat we elkaar liefhebben, maar eigenlijk rotzooien we maar wat aan.
Iedereen heeft wel iets te verbergen en er liggen voortdurend mensen op de loer om elkaar die geheimen te ontfutselen, maar we hebben het nauwelijks in de gaten.
Je zou je ogen niet geloven als er ineens tien miljoen kleine vuurvliegjes tevoorschijn kwamen en je kleine wereld zouden verlichten vlak voordat je in slaap viel.
Ikzelf keek alleen maar mijn ogen uit. Alsof je geknuffeld wordt door die bewegende lichtjes in de lucht. Net of ze me de foxtrot wilden leren dansen hoog boven mijn hoofd, of de horlepiep op de vloer naast mijn bedje.