Het begon allemaal lang geleden. De haven van deze stad was toen een goudkust, waar slavenschepen uit alle werelddelen aankwamen. Hun lading bestond uit mensen, om te laten werken op de katoenvelden. Die mensen werden als koopwaar verhandeld op de markten in New Orleans. Dat is nu allemaal voorbij, maar er is een ander soort slavernij voor in de plaats gekomen.
De moderne slavendrijver haalt tegenwoordig af en toe de zweep over de vrouwen, die speciaal voor hem werken. En al die mannen die ervoor betalen vinden dat wel best. Het zijn vooral blanke mannen wiens bloed sneller gaat stromen als ze die vrouwen zien. De gastvrouw wrijft zich al in haar handen als ze aan die kerels denkt, omdat het dan weer een drukte van belang zal worden. De portier, die bij de ingang staat, laat de opgehitste mannen vervolgens ongehinderd hun gang gaan.
Je hebt pas licht nodig als het donker wordt. De zon mis je pas als het begint te sneeuwen. Je komt er pas achter wat geluk is als je somber bent. Je haat reizen pas zodra je heimwee krijgt. Je weet pas echt dat je van haar houdt als je haar hebt laten gaan.
Je staart in de bodem van je glas en je hoopt dat de dromen die je droomt ooit uit zullen komen. Maar ja, met dromen weet je nu eenmaal dat ze langzaam op gang komen, maar in een flits ophouden.
Het is oneerlijk verdeeld in de wereld. Slechts de helft van de bevolking is tevreden en heeft genoeg te eten, terwijl de andere helft in nood zit en onze hulp nodig heeft. Gelukkig hebben we van nature voldoende liefde in onze genen om iets te doen voor onze medemens. Alleen zijn die genen bij veel mensen besmet geraakt met afgunst, jaloezie en egoïsme. Die mensen hebben nauwelijks oog voor het leed van anderen.
Het wordt tijd dat er zaadjes worden geplant waardoor de liefde weer kan opbloeien. De baby’s die de komende jaren geboren worden, zijn te vergelijken met kleine plantjes. Zij zorgen ervoor dat we in de toekomst liefde kunnen blijven oogsten.
Gisteren liep ik iemand tegen het lijf die me een oude wijsheid vertelde: “Als je nou weer eens een relatie ziet mislukken, trek het je dan niet al te veel aan. Doe net alsof het je niks kan schelen!”, luidde de boodschap. Maar ja, die kerel had makkelijk praten. Ik heb me in ieder geval niet door hem laten overtuigen. Je kunt wel onverschillig doen als er weer eens een liefde op de klippen is gelopen, maar voor mij helpt dat niet.
Ik ben nou eenmaal zo’n sukkel die altijd op zoek blijft naar de ware. En als ik die voor de zoveelste keer weer eens niet blijk te hebben gevonden, ga ik zielig in een hoekje zitten om mijn gebroken hart te repareren. Een toneelstukje opvoeren kan ik niet.
Het is vaak genoeg verkeerd gegaan met mij. Ik hield de goeie dingen van het leven buiten de deur, terwijl ik alle slechte dingen juist met open armen ontving. Het is dat ik een engeltje op m’n schouder had zitten dat me overal tegen beschermde, want anders had ik het waarschijnlijk niet eens overleefd. Er waren tijden in m’n leven dat ik dacht dat ik stapelgek werd. Soms was ik de grip op de wereld zelfs totaal kwijt.
Elke keer dacht ik weer dat ik er wel mee weg kon komen. Totdat het op een bepaald moment echt niet meer kon. Ik was het zat om altijd maar weer in de put te raken. Eigenlijk wilde ik helemaal niet meer verder. Maar ineens zag ik weer licht aan het einde van de tunnel. Net voordat ik een enkele reis naar de eeuwige jachtvelden ging maken, werd ik gered.
Het lijkt inmiddels een eeuwigheid geleden dat je bij me weg bent gegaan. Als ik het goed uitgerekend heb, is het nu precies 15 dagen en 7 uur. Sindsdien kom ik nergens meer aan toe. ‘s Nachts ga ik uit en overdag slaap ik een beetje. Het klinkt eigenlijk best goed: ik ga stappen met wie en wanneer ik maar wil en elke avond kan ik lekker uit eten in een chic restaurant. Maar het is helemaal niet goed!
Ach, ik zou ook m’n arm kunnen slaan om de eerste, de beste die ik tegenkom, maar dat is niet genoeg om mijn verdriet kwijt te raken. En bovendien: wie ik ook zie, iedereen doet me aan jou denken. Het is gewoon zo éénzaam hier zonder jou.
Een tijd geleden kwam ik een goede vriend van me tegen. Hij liep met een wapen in z’n hand, dus ik vroeg hem wat hij met dat ding van plan was. Eerst deed hij net of-ie me niet hoorde, dus ik stelde mijn vraag nog een keer. “Waar ga je met dat ding naartoe?”, riep ik.
Hij zei niet veel. Het enige dat hij antwoordde was dat hij z’n vriendin te grazen wilde nemen. “Ik heb haar betrapt, terwijl ze zat te rotzooien met een vreemde kerel. En daar moet ze nu voor boeten!” Ik wist niet wat ik hoorde. Ik probeerde hem nog tegen te houden, maar dat lukte me niet.
Ik heb hier inmiddels al duizend keer over gedroomd en elke keer word ik weer gillend wakker. In mijn dromen hoor ik steeds opnieuw het gestamp van de laarzen, die hals over kop bezit nemen van deze stad. Nou zeggen ze wel dat het allemaal best meevalt en dat het gevaar al lang is verdwenen, maar volgens mij is het vuur juist weer flink opgelaaid en zal het niet zo snel gedoofd worden.
Ooit was het beter, lang geleden. Toen kwam de zon nog gewoon elke dag op en straalden de sterren ’s nachts aan de hemel. Dat was ook de tijd dat jij nog gewoon kon lachen, als je in m’n armen lag. Het lijkt zo vanzelfsprekend, maar toch is het al heel lang geleden.
Je weet dat ik voor niets en niemand op deze wereld bang ben. Je kunt alles naar m’n hoofd slingeren en het doet me helemaal niets. Maar nu ben ik toch een beetje van m’n stuk gebracht. Ik heb zelfs moeite om een normale melodie te verzinnen voor wat ik te zeggen heb. Ik wil op dit moment niets liever dan een liedje bedenken dat ik zachtjes in mezelf kan zingen.
